Armoede onder Haagse ouderen met een migratieachtergrond

In het rapport ‘Ouderdomsregelingen ontleed’ van de Algemene Rekenkamer (2019) wordt gewezen op het bestaan van een groep ouderen die onder het bestaansminimum leven doordat zij een onvolledig AOW-pensioen hebben. Weliswaar kunnen zij een beroep doen op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO), maar tussen de 48 en 56 procent van de rechthebbende huishoudens maakt hier geen gebruik van (Algemene Rekenkamer, 2019).

Een van de groepen die een verhoogd risico lopen op armoede, wordt gevormd door ouderen met een migratieachtergrond. Als reden daarvoor wordt gewezen op de incomplete AOW-opbouw waar oudere migranten mee te maken hebben wanneer zij op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen en dus ook later zijn begonnen met de opbouw van het recht op AOW. Volgens gegevens van SEO Economisch Onderzoek leeft ruim 40 procent van de ouderen met een niet-westerse migratieachtergrond onder de armoedegrens tegenover 3 procent van de ouderen met een Nederlandse achtergrond (Scholte & Lammers, 2017).

Ook interviews die in het najaar van 2020 met bezoekers van het Vadercentrum Adam zijn gehouden, laten zien dat armoede een regelmatig terugkerend probleem vormt. (Van den Hoven, 2021)

Het ontbreekt echter aan inzicht in hoe betrokkenen zelf dit probleem ervaren, hoe zij daarmee omgaan, en wat zij nodig zouden hebben om de situatie van armoede te boven te komen.

VERKENNING

Op basis van het voorgaande heeft de Werkplaats Sociaal Domein Den Haag & Leiden besloten verkennend onderzoek te doen onder de groep van ouderen met een migratieachtergrond en door middel van interviews meer inzicht in hun situatie te verkrijgen.

Het doel van de verkenning was inzicht te verwerven in hoe ouderen met een migratieachtergrond en een laag inkomen deze situatie ervaren, welke factoren aan de basis staan van de situatie van armoede waarin respondenten zich bevinden, hoe deze situatie van invloed is op hun leven, welke strategieën zij hebben ontwikkeld om met deze situatie om te gaan, welke rol maatschappelijke instanties daarin spelen, en wat zij nodig zouden hebben om de bestaande situatie van armoede te boven te komen.

In de periode november 2021 – januari 2022 zijn gesprekken gevoerd met in totaal 29 ouderen met een migratieachtergrond, woonachtig in Den Haag en die rond moeten komen van een laag inkomen.

BEVINDINGEN

Uit de interviews komt het volgende beeld naar voren:

  • Het betreft een groep ouderen die, vaak al meerdere jaren, op of onder het bestaansminimum verkeert. Ouderen, die in het buitenland geboren zijn, voor het merendeel op latere leeftijd naar Nederland zijn gekomen en daardoor o.a. te maken hebben met een incomplete AOW-opbouw, die niet in alle gevallen wordt aangevuld met AIO of een pensioen uit arbeid.
  • Voor veel respondenten geldt bovendien dat zij door werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid vroegtijdig buiten het arbeidsproces zijn komen te staan, en bij het bereiken van de AOW-leeftijd al meerdere jaren op een uitkering zijn aangewezen, wat tevens tot gevolg heeft dat zij ook geen buffers op hebben kunnen bouwen of deze inmiddels verdwenen zijn.
  • Doordat de meesten van hen in een huurwoning wonen, worden zij ook op latere leeftijd nog geconfronteerd met hoge woonlasten, regelmatig in combinatie met stijgende zorgkosten.
  • Om aan deze situatie het hoofd te bieden beperken de respondenten hun uitgaven tot het strikt noodzakelijke, onnodige kosten worden vermeden, wat niet alleen gevolgen heeft voor hun materiele levensomstandigheden maar ook voor hun sociale leven.
  • Veel belang wordt over het algemeen gehecht aan het wegblijven uit schulden en voorkomen van betalingsachterstanden.
  • De rol van sociale netwerken blijkt uitermate beperkt. Veel respondenten beschikken over een beperkt sociaal netwerk, waarvan de leden veelal in een vergelijkbare situatie verkeren, waardoor ook de mogelijkheden tot onderlinge (financiële) ondersteuning uitermate beperkt zijn. Daar komt bij dat veel respondenten, zeker als het om financiële zaken gaat, geen beroep op hun netwerk willen doen.
  • Ook de rol van maatschappelijke instanties lijkt beperkt. Zo lijkt er sprake een vrij grote afstand tot en laag gebruik van maatschappelijke voorzieningen. Daarvoor zijn verschillende redenen aan te wijzen, uiteenlopend van een zeker wantrouwen jegens maatschappelijke instanties (geeft ‘gedoe’) tot voor deze groep gebruiksonvriendelijke (digitale) vormen van communicatie, en, mede als gevolg hiervan, een gebrek aan informatie over rechten en voorzieningen waar zij een beroep op zouden kunnen doen.
  • Uitzondering hierop vormen voorzieningen als de buurtcentra en het Vadercentrum, die voor respondenten een van de weinige gelegenheden vormen waar zij naar toe kunnen, zij andere mensen kunnen treffen en aan activiteiten deel kunnen nemen, zonder dat dit meteen tot extra uitgaven leidt. Daarnaast spelen deze centra een belangrijke rol in de toegang tot informatie en andere voorzieningen.
  • Al met al leidt dit tot een situatie met weinig tot geen perspectief op verbetering, waardoor betrokkenen ook de rest van hun leven tot de huidige levensomstandigheden veroordeeld lijken te zijn.